Groote Oorlog Scheldeland

Straffe verhalen van WOI in Scheldeland

Het Aalsterse stadspark: een merkwaardig oorlogsgeschenk

Toen in 1914 WOI uitbrak, vielen duizenden Aalstenaars zonder werk. Verschillende nijverheden legden noodgedwongen hun productie stil en de bezetter eiste alles op wat bruikbaar was. Ook werkloze mannen, die de Duitsers inzetten in hun oorlogsindustrie.

Om hun stadsgenoten dit mensonwaardige lot te besparen, kregen schepenen Romain Moyersoen en Désiré De Wolf het idee hen in Aalst aan het werk te zetten. Schepen De Wolf werkte het idee verder uit: hij zocht een architect om een stadspark aan te leggen en contacteerde alle Aalsterse aannemers. In juli 1915 ging een eerste ploeg van 35 arbeiders aan de slag.

Om zoveel mogelijk werkloze mannen te kunnen inschakelen, werd een beurtrol ingevoerd. Arbeiders en opzichters wisselden elkaar voortdurend af, zodat ze niet meer dan één dag op vijf werkten maar toch ontsnapten aan deportatie naar Duitsland. Uit dankbaarheid voor dit slimme afleidingsmanoeuvre om werkloosheid te omzeilen, richtten enkele oud-opzichters in 1931 – met giften van de Aalstenaars - een monument op voor Désiré De Wolf.

De Kazeirekesmoord in Lebbeke

Lebbeke was op 4 september 1914 het voorlaatste dorp op de route bij de Duitse opmars naar Dendermonde. Toen een soldaat plots werd neergeschoten, sloegen bij de Duitse troepen de stoppen door. 'Franc-tireurs!' werd er geschreeuwd. Aan de Brusselsesteenweg, in de wijk Kazeirekes, sleepten soldaten verschillende jonge mannen hun huizen uit om hun woede op af te koelen.

Enkele jongens konden nog ontsnappen, maar 14 onder hen wachtte een gruwelijke dood. Zij moesten hun eigen graf delven, waarna de Duitsers hen meedogenloos vermoordden. Het nieuws illustreerde de willekeurige wreedheid van het Duitse leger en haalde de wereldpers.

Het spookdorp Liezele

Toen Duitse troepen op 4 september 1914 Liezele binnentrokken, lieten de inwoners hebben en houden achter en vluchtten ze tot achter de fortengordel. Omdat de Duitsers zich verschansten in de leegstaande huizen en zo een gevaar vormden voor de Belgische troepen in het fort liet commandant Fiévez, bevelvoerder van fort Liezele, Liezele in brand steken.

In de nacht van 4 op 5 september gingen 209 huizen in de vlammen op. Een paar dagen later werden de resterende gevels naar beneden gehaald. Vanaf dan werd Liezele een verlaten spookdorp. Sommige inwoners keerden pas veel later terug en namen de draad van hun bestaan moeizaam weer op.

De beschieting van Sint-Amands

Op 5 en 6 september 1914 trokken Duitse soldaten Sint-Amands binnen. In Fort Bornem gingen al snel geruchten over de inval. Naar verluidt hadden de Duitsers het hele dorp ingenomen en geschut geplaatst in de kerktoren. In realiteit waren er niet meer dan 30 soldaten gearriveerd, maar de wrede verhalen over hun doortocht gingen hen vooraf en vele inwoners sloegen op de vlucht.

Zonder waarschuwing beschoot de artillerie van het fort de kerk en het dorp. In de namiddag van 6 september staken 200 Belgische soldaten de kerktoren in brand om zo de uitkijkpost onklaar te maken. De toren, het dak, het oksaal, de predikstoel en een groot aantal stoelen werden vernield. De meest dringende herstellingen werden in de eerste maanden van 1915 uitgevoerd, in 1928 herstelde men ook de toren.

De vergeten slag om Buggenhout

Het Buggenhoutbos is een prachtige wandelplek en een echte topbestemming in Scheldeland. Het is ook een plek van belang in WOI. Bij de Slag om Buggenhout (26-27 september 1914) was het bos het toneel van hevige gevechten.

Hierbij sneuvelden een 40-tal Belgische jongens, waaronder artilleristen, jagers te voet, infanteristen en grenadiers. De slag paste binnen de Derde Uitval van het Belgische leger vanuit Antwerpen.

'Volkssoep' van Stokerij Rubbens

In 1817 werd op in de Langemuntstraat in Zele de jeneverstokerij Rubbens opgericht. Bij het uitbreken van WOI en de bezetting door het Duitse leger stopte de productie van jenever.

Rubbens kreeg tijdelijk een tweede leven: in de stokerij werd voortaan 'volkssoep' gekookt, die van daaruit door het Nationaal Comité voor Hulp en Voeding - kortweg ‘het Comiteit’ - werd verdeeld naar alle Zeelse scholen en wijken. Zo leverde Stokerij Rubbens haar bijdrage bij de bestrijding van de hongersnood in de Eerste Wereldoorlog.

De strijd aan de Zwarte Hoekbrug

De wijken aan de rechteroever van de Dender in Aalst werden bij de Duitse inval zwaar getroffen. Het was van daar dat de vijand oprukte naar de Zwarte Hoekbrug, even verderop.

Aan deze oever zaten de Belgische karabiniers, de ‘Zwarte Duivels’, verscholen in het locomotievendepot en in de huizen om te verhinderen dat Duitse troepen de rivier zouden oversteken. Die koelden hun woede af op de bevolking.

Op de rechteroever sloegen ze deuren en vensterluiken stuk, en sleurden ze mannen, vrouwen en kinderen uit hun huizen om hen koelbloedig af te maken. In de Driesleutelstraat staken ze huizen in brand en dreven ze mannen als levend schild naar de rivieroever. Uit verschillende getuigenverklaringen afgenomen na de oorlog bleek hoe brutaal de Duitse soldaten hun willekeurige slachtoffers behandelden. De strijd aan de Zwarte Hoekbrug is daar een tekenend voorbeeld van.

Vrome Duitsers in de Denderbelse velden

In de velden van Denderbelle, waar je vandaag kunt gaan wandelen in de natuurgebieden Wiestermeersch en Denderbellebroek, streken begin september 1914 Duitse troepen neer na een eerste offensief op Dendermonde.

Sommigen herinneren zich nog anecdotes die ze ooit hebben gehoord. Zo herinnert de Lebbeekse schepen Dirk De Cock zich uit oude verhalen dat de inwoners van Denderbelle op een bepaald moment raar opkeken wanneer de Duitse troepen een openluchtmis lieten doorgaan in de velden.

Het beeld van die 'vreselijke niets onziende Duitsers' was voor hen moeilijk te rijmen met dat andere gezicht van trouwe gelovigen. Deze 'Feldgottesdienst' in Denderbelle staat ook beschreven in het dagboek van een Duitse soldaat. Het was voor hem de eerste mis in 'vijandelijk' gebied.

Dendermonde in puin

In 1914 werd Dendermonde zo goed als platgebrand. Van de 2.239 die er destijds stonden, gingen er 1.252 in vlammen op. Ook het stadhuis vatte vuur en brandde uit. Van deze 'Denderende' stad bleef niet veel meer over dan een smeulende ruïne.

Vandaag is Dendermonde een van de zeven Belgische 'Martelaarsteden', een bedenkelijke eer die de stad te danken heeft aan het feit dat het Duitse leger er vooral burgers heeft getroffen en hun huizen heeft vernield.

Van de puinen van toen schiet niets meer over, maar de verhalen staan in talloze boeken beschreven. In de Franz Courtensstraat bijvoorbeeld gijzelden Duitse soldaten bij hun eerste aanval op 4 september een groep burgers. Dat deden ze wel vaker, want de angst voor 'franc-tireurs' – burgers die in woningen op de loer lagen en hen beschoten – zat er diep in.

Twee uur lang moesten de gegijzelde mannen rechtop blijven staan met hun gezicht tegen de huisgevels. Passerende troepen joelden hen uit en dreigden met executie. Tegen de avond werden de mannen vrijgelaten in een bietenveld in het dorpje Appels. Zij kwamen goed weg, vele van hun stadsgenoten haalden de avond niet.

Het drama aan de Vondelbeek

Aan de Vondelbeek in Lebbeke, recht tegenover de nu verdwenen molen Borms, lag begin september 1914 het ondiepe graf van zes mannen uit Sint-Gillis. Duitse troepen, bang voor 'franc-tireurs', hadden hen uit hun huizen gesleurd en meegenomen naar Lebbeke.

Daar bij de Vondelbeek, op 4 september 1914, werden ze gruwelijk mishandeld en vermoord. Burgemeester Armand Dubois van Lebbeke beschreef de feiten in zijn oorlogsdagboek, maar deze zijn zo verschrikkelijk dat we ze in het verleden laten rusten.

De slag van Berlare

Begin oktober vond vlakbij Dendermonde, aan de Schelde, de Slag van Berlare plaats. Daarbij probeerden de Belgische bataljons van luitenant-generaal Michel de Duitsers te verhinderen de Schelde over te steken via de brug die Schoonaarde met Berlare verbindt. Dagenlang weerklonk er hevig artilleriegeschut.

68 Belgische soldaten lieten het leven in de strijd om de Schoonaardebrug. Hun namen staan gegraveerd in het oorlogsmonument in Berlare, de gemeente even verderop op de linkeroever. De gevolgen lieten zich voelen in het rustige Zele. Zwaar gewonde slachtoffers werden naar het hospitaal aan Koevliet gebracht voor verzorging. De jutefabriek Goossens op de Kouter viel onder artillerievuur en brandde volledig uit. Na de nederlaag op 8 oktober ging de terugtocht van de Belgische troepen langs de deelgemeente Heikant.

Mariekerke kerk platgebrand

In de eerste oorlogsmaanden van 1914 moest de kerk van het vissersdorpje Mariekerke eraan geloven. Genietroepen verwoestten het godshuis om te verhinderen dat Duitse troepen de toren als uitkijk- en mitrailleurpost zouden gebruiken. Op de avond van 7 oktober doemden op de rivier kanonneerbootjes op.

Eens aan land staken eenheden pontonniers met petroleum alle kerkmeubelen in brand. Het vuur was zo hevig dat zelfs de klokken smolten. In 1925 werd de kerk van Onze-Lieve-Vrouw ten Hemel Opgenomen heropgebouwd in neogotische stijl. Tegenwoordig is de plaats gekend omwille van de vijfjaarlijkse opvoering van het Passiespel.